Orgelconcert Groenlo

21 Okt 2007 - 15:00
21 Okt 2007 - 16:00

Jean Langlais (1907-1991):
Uit: Trois Paraphrases Grégoriennes:
* Hymne d’Actions de Grâces “Te Deum”

Eugène Gigout (1844-1925):
Uit: Dix Pièces en recueil (1892)
* Minuetto en si mineur
* Toccata en si mineur

César Auguste Franck (1822-1890):
Uit: Trois pièces pour grand orgue (1878):
* Cantabilé

Louis Vierne (1870-1937):
Uit: Pièces de Fantaisie, Quatrième Suite, Op.55:
* Cathédrales

Olivier Messiaen (1908-1992):
* Le Banquet Céleste (1928)

Wilbert Berendsen (*1971):
* Improvisatie

Marcel Dupré (1886-1971):
Uit: Symphonie-Passion op. 23 (1924):
* Le Monde dans l’attente du Sauveur (de wereld wachtend op de Redder)
* Nativité (geboorte)

De 100 jaar geleden geboren Jean Langlais componeerde zijn Trois Paraphrases Grégoriennes in 1933 en ’34. De Gregoriaanse melodie van het Te Deum (U Heer, U loven wij) klinkt prominent in de aanhef en wordt afgewisseld met krachtige akkoorden. Het slotmotief uit de melodie wordt als materiaal voor een fraaie, in triolen lopende doorwerking gebruikt. Opvallend is overal het gebruik van de verhoogde vierde toon, wat een quasi-middeleeuwse klankkleur tot gevolg heeft.

Eugène Gigout had evenals Gabriel Fauré les van Camille Saint-Saëns, en was daar gedurende 62 jaar organist van de St.Augustin. Van de Dix Pièces uit 1890 zijn de toccata in si-mineur en het scherzo in Mi-majeur het bekendst, maar het minuetto mag er als fraai stukje salonmuziek ook zijn.

Franck’s Cantabilé klinkt melodieus en harmonieus maar is geraffineerd gecomponeerd. Een uitkomende melodie op Trompette wordt steeds voorafgegaan door enkele akkoorden, waarbij de baslijn de melodie steeds “voorspeelt.” Ongemerkt raakt het stuk in een harmonische stroomversnelling terecht, waarna de hoofdmelodie uiteindelijk overwint, vergezeld van een canon in de bas, en chromatische loopjes als een soort gedetailleerde “ruis” in de tussenstemmen, dezelfde typisch Franse techniek als we veel later bij Dupré ook aantreffen.

“Cathedrales” van Vierne (organist van de Notre Dame te Parijs) heeft een soort verwantschap met “La Cathédrale engloutie” van Debussy. De sfeer van een enorme Gotische kathedraal zoals de Notre Dame wordt geschetst met lange lijnen van akkoorden met veel open kwinten, afgewisseld met mystiek klinkende akkoorden. Een motief, opgebouwd uit een versneld hoofdthema, bouwt vervolgens snel spanning op, waarna het hoofdthema krachtig in de diskant klinkt, met dramatisch opklimmende lijnen in het pedaal. Dan keert de rust weer en verstilt het stuk weer prachtig in de onmetelijke ruimte van een kathedraal.

Boven Messiaen’s “Le banquet Céleste” (het hemels banket) prijkt een Bijbelcitaat uit het Johannes-evangelie (hoofdstuk 6 vers 56): Celui qui mange ma chair et boit mon sang demeure en moi et moi en lui (wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem). Harry Mayer schrijft in Het Orgel (1966): ‘De compositie, extatisch van gebaar, heeft een extreem langzaam tempo en begint met mysterieuze, als uit de verte komende klanken boven een tussen de tonen B en Ais heen en weer pendelende bas. Na een crescendo herhaalt de vreemde orgelzang zich, thans gecontrapunteerd door als waterdroppels tikkende staccati in het pedaal (…), welk getik geleidelijk aan afneemt, om te vervluchtigen als een iriserend dichterlijk stemmingsbeeld. Wat betekenen deze staccati? Moeten we ze in verband brengen met ,,het drinken van Mijn bloed”, waarvan de geciteerde Bijbeltekst spreekt?’

Ook Dupré heeft een eigen muzikale taal ontwikkeld. Weliswaar minder ver uitgedacht dan bij Messiaen met zijn modi, heeft Dupré voor allerlei uitdrukkingen muzikale figuren ontwikkeld, een beetje zoals bij de Retorica in de barok. De Symphonie-Passion bestaat uit 4 delen; vanmiddag klinken de eerste twee, de laatste twee heten respectievelijk Crucifixion (kruisiging) en Resurrection (verrijzenis, opstanding). (Deze laatste twee delen houdt u tegoed!)

Het werk onstond als een uitwerking van een volgens Dupré’s memoires zeer geïnspireerde improvisatie over vier Gregoriaanse hymnen tijdens een concert in Philadelphia (USA) in 1921. In het eerste deel wordt een verscheurde wereld zonder God geschetst. Korte uithalen stijgen soms op uit de chaos. Soms doen deze al denken aan het verderop duidelijk verschijnende “Jesu Redemptor Omnium” (Jezus verlosser van allen).

In het tweede deel (Nativité) horen we eerst de herders, met een herdersmelodie in de typisch Franse traditie in 6/8 maat op de Hautbois gespeeld, maar door Dupré in quasi-Oosterse klankkleuren en toonladders gezet. Een treffende gelijkenis in sfeer overigens met Messiaen’s Les Bergers (dat nog gecomponeerd moest worden). Dan komen de Wijzen uit het Oosten ten tonele. Een liggende noot verklankt de ster, en dan tekent het Tempo di Marcia de rustig stappende kamelen. De wijzen komen steeds dichterbij, waarbij in de muziek steeds meer detail wordt toegevoegd in de vorm van allerlei doorlopende chromatiek. Eenmaal aangekomen bij het Kind, klinkt Adeste Fidelis, (Komt allen tezamen). Dan sluit het stuk in een uiterst vredig en verstild pianissimo af.