Wandelconcert Enschede

28 Jul 2007 - 15:30
28 Jul 2007 - 16:45

Aanvang 15.30 uur in Jacobuskerk, na een half uur wandelen naar Grote Kerk waar het programma wordt voortgezet.

In verband met de slechte toestand van het Jacobus-orgel wordt het hele programma in de Grote Kerk uitgevoerd!

Jacobuskerk (15:30u)

Georg Muffat (1653-1704):
* Toccata Sexta in F

Johann Sebastian Bach (1685-1750):
* Sonata nº IV in e-moll BWV 528
- delen: Adagio-Vivace, Andante, Un poco allegro

* Fuga in h-moll BWV 579 (Corelli-fuga)

* Bewerking over “Komm, Gott Schöpfer, heiliger Geist” BWV 667

Grote Kerk (16:15u)

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847):
* Sonate opus 65 nr. II in c-moll: Grave, Adagio, Allegro maestoso e vivace, Fuga.

Maurice Duruflé (1902-1986):
* Prélude, Adagio et Choral Varié sur “Veni Creator” op. 4 (1930)

Toelichting: Muffat’s toccata is feitelijk een suite van verschillende (dans)vormen die op een logische manier op elkaar aansluiten. Het stuk opent met een statig, wat Frans-barok, pleinjeu (vol spel). Daarna volgt een korte, lichte canzona (chanson) met het kenmerkende ritme lang-kort-kort aan het begin. Vervolgens een dromerig deel op een orgelpunt (een liggende pedaaltoon) met veel trillers. Een kort overgangsdeel leidt tenslotte het laatste deel in: een wervelende gigue (zeer snelle driedelige dansvorm).

Bach’s zes triosonates zijn als etude geschreven voor zijn zoon Wilhelm Friedemann. Het eerste deel van deze vierde sonate is een bewerking van de Sinfonia van Cantate nr. 76, oorspronkelijk voor hobo d’amore, viola da gamba en continuo. Het tweede deel is een vloeiend Andante met opmerkelijke kwartstapelingen in het thema, en het laatste een Italiaans aandoende dans in 3/8 maat.

De fuga in b-klein draagt deze bijnaam omdat het dubbelthema sterk Italiaans geöriënteerd is en aan Corelli doet denken.

Bach’s koraalbewerking op Maarten Luther’s versie van de vroegchristelijke pinksterhymne “Veni Creator” staat in 12/8 maat, dus vier tellen per maat maar elke tel valt in drieën uiteen. Iedere tel begint met de melodietoon in de rechterhand, daarna de linkerhand en als derde een korte maar krachtige pedaaltoon. Je zou hier een symbool voor de drie-eenheid in kunnen zien: Vader, Zoon en Heilige Geest. In het tweede deel van de bewerking komt de melodie heel duidelijk uit in het pedaal, terwijl de handen een vlammend lijnenspel tekenen dat het waaien van de Geest verbeeldt.

In de Grote Kerk vervolgen we het programma met een sonate van Mendelssohn, een componist die in zijn orgelwerken duidelijk door Bach geïnspireerd is, hoewel dat alleen niet voldoende recht doet aan zijn zeer oorspronkelijke en melodieuze muziek. Het grave valt op door een lange liggende toon die door alle harmonieën heen klinkt, en wordt voortgezet in het melancholieke Adagio. Na een fanfare-achtig Allegro klinkt een voorname Fuga.

Duruflé’s prachtige, laat-impressionistische werk (dat in 1930 een compositiewedstijd won) bestaat uit drie delen. Het eerste deel (Prélude) is een rustige, golvende beweging met steeds wisselende kleurschakeringen waarin nu en dan een melodie opklinkt die ontleend is aan het “Veni Creator”. Ook alle zachte achtergrondklanken zijn uit deze melodie gebouwd. Zo bestaan de guirlandes aan het begin uit de derde regel. Enkele keren komt, op een uitkomende stem gespeeld, een melodie naar voren die is gebaseerd op de tweede regel. In dit deel wordt de Geest van Pinksteren verbeeld als een rustig kabbelende beek vol bochtjes of een zachte bries, met onverwachte vergezichten.

In het tweede deel, Adagio, vindt een gestage opbouw plaats van het allerzachtste pianissimo naar een overweldigend hoogtepunt, waarin het lijkt of de hemel openscheurt en de Geest van Pinksteren zich werkelijk laat zien. Maar even snel als ons deze blik in de hemel wordt gegund, wordt deze weer aan ons oog ontrokken door snel warrelende wolkenflarden, en keert de rust weer terug.

Op dit moment zet het derde deel in, het Choral met variaties. Dit wordt gekenmerkt door een serene rust met grote innerlijke vreugde. Na drie fraaie, enigszins Frans-klassieke variaties zet de Finale in: een mooi opgebouwd crescendo leidt naar het juichende “et in sæcula sæculorum, amen” ofwel “in de eeuwen der eeuwen, Amen”.