Symphonie-Passion op. 23

Integraal uitgevoerd in Nijmegen, Doesburg en Zelhem, en delen in Groenlo en Amsterdam (Augustinuskerk).

Een monumentaal vierdelig werk geschreven in 1924, bestaande uit vier delen:

Le Monde dans l’attente du Sauveur
(De wereld wachtend op de Redder)

Een onrustig, onregelmatig bewegend deel waar je de verstrooidheid, verscheurdheid en chaos in hoort van een wereld zonder God. Soms werpen zich korte uithalen uit de grillige beweging omhoog. Als er plotseling een stilte invalt verschijnt de melodie van “Jesu Redemptor Omnium” (Jezus verlosser van allen). Uiteindelijk gaat deze melodie “rondwandelen” in de “wereld”, het klankbeeld van de eerste helft, en verschijnt ze diverse malen in de canon. Het stuk eindigt met een vrij triomfantelijke harmonisatie van Jesu Redemptor, gevolgd door stevig gekruide slotakkoorden.

Nativité
(Geboorte)

Typerend voor “pastorales” is de uitkomende melodie op een tongwerk, die ook hier in het begin te horen is. Het is een verbeelding van de herders, op zoek naar het kind. Even verderop horen we de voetstap van de kamelen van de magiërs uit het oosten, waarna onopvallend melodiefragmenten van “Adeste Fideles” verschijnen, bij ons bekend als “Komt allen tezamen”. Een hemelse rust daalt in het stuk neer als uiteindelijk de melodie nog eenmaal wordt gespeeld boven een liggende pedaaltoon (orgelpunt).

Crucifixion
(Kruisiging)

Hier een van meet af aan dreigende sfeer en een melodie die zich zeer moeizaam een weg naar boven baant. Met schrille akkoorden wordt de kruisiging verbeeld. Dan klinkt, als een zacht snikken, het “Stabat Mater Dolorosa” (Stond een moeder diepbewogen).

Résurrection
(Opstanding)

Vanuit de stilte waarin het vorige deel eindigde, begint het hier in het diepste laag te borrelen, met, verstopt in het pedaal in lange noten “Adoro te devote, latens Deitas” (ik aanbid U Godheid in verborgen staat), van Thomas van Aquino. In een geleidelijk sterker wordende klankopbouw voegen zich steeds meer stemmen in het gewemel en de melodie wordt steeds duidelijker. Steeds hoger rijst de muziek op en steeds sneller en grilliger worden de modulaties waarin “Adoro te devote” te horen is. Uiteindelijk klinkt, net als in het eerste deel, een zeer snel gespeelde variatie op het beginmotief, met forse, razendsnel modulerende harmonieën begeleid, uitmondend in een juichend slotakkoord waarin de ingezette beweging zelfs nog doorgaat, als een groots gelui van hemelse klokken.

—————

Opvallend is dat elk deel een redelijk statische opbouw heeft: textuur en schrijfwijze blijven min of meer gelijk. Dit heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat Dupré een geweldig improvisator was, die over een fenomenale techniek beschikte. In december 1921 speelde hij in Philadelphia (USA) een improvisatie over opgegeven thema’s. Tot Dupré’s verrassing waren daar verscheidene Gregoriaanse melodieën bij. Hij kreeg als het ware een visioen van een groot vierdelig werk en wist direct dat hij deze improvisatie zou gaan uitwerken en opschrijven zodra hij weer terug in Frankrijk was; en zo ontstond deze Symphonie-Passion. Hij droeg het werk op aan de vaste bespeler van het Wanamaker-orgel in Philadelphia, Charles Courboin.

Op YouTube is een mooie video te zien waar Sophie-Veronique Cauchefer-Choplin (assistent-organist van de St. Sulpice in Parijs) het laatste deel, Résurrection, speelt.

Als bijlage een verkorte versie van deze toelichting met muziekvoorbeelden op A4 formaat (kan verkleind worden naar A5).

BijlageGrootte
dupre-symphonie-passion-toelichting.pdf44.61 KB