Concert Groenlo

31 Jul 2005 - 15:00
31 Jul 2005 - 16:00
Plaats: 
RK Calixtuskerk, Groenlo

Eugène Gigout (1844-1925)
* Grand Chœur Dialogué

Louis James Alfred Lefébure-Wely (1817-1870)
* Uit: Meditaciones Religiosas (1858, op. 122): Andante

César Auguste Franck (1822-1890)
* Deuxiême Choral (1890)

Louis Vierne (1870-1937)
* Uit Trois pièces de fantaisie: Cathédrales op 55 nº 3 (1927).

Maurice Duruflé (1902-1986)
* Prélude et Fugue sur le nom d’Alain op. 7 (écrit à la mémoire de Jehan Alain) (1943)

Marcel Dupré (1886-1971)
* Uit Le Tombeau de Titelouze op. 38: Te lucis ante terminum

Charles Marie Widor (1844-1937)
* Uit 5iême Symphonie: Toccata

Toelichting:

Het openingsstuk van Gigout is een dubbelkorig werk, dat ook wel met koperblazers en orgel wordt uitgevoerd. Het is een markant en feestelijk stuk, dat een concert evengoed zou kunnen afsluiten als openen.

Dan volgt van een van de populairste organisten en componisten van zijn tijd, Lefébure-Wely, een eenvoudig Andante, waarin we een wat melancholieke melodie horen met vrolijke, haast kitscherige vogelgeluidjes erboven. De muziek was voor de liturgie bedoeld!

De drie koralen van César Franck zijn in zijn laatste levensjaar geschreven, en worden door velen als zijn muzikale testament beschouwd. Het eerste thema uit zijn Deuxiême Choral wordt in vier passacaglia-achtige passages voorgesteld en uitgebouwd. Daarna volgt een Cantabile met een tweede thema dat opnieuw crescendo wordt uitgewerkt in een dialoog tussen harmonische frases op het hoofdwerk en meer beweeglijke chromatische motieven in het zwelwerk. Het mondt uit in een serene passage waarin de Voix Humaine het woord krijgt. Na een contrasterend Largamente con Fantasia waarin grote akkoorden en snelle loopjes elkaar afwisselen, volgt een fuga op het eerste thema als aanzet naar een lange crescendo tot het eerste thema fortissimo weerklinkt. Toch eindigt dit meesterwerk van de negentiende eeuwse orgelliteratuur in dezelfde serene sfeer die ook al de eerste helft van het stuk afsloot.

“Cathédrales” van Vierne werd opgedragen aan diens leerling Edward S. Barnes, die later organist werd in Philadelphia, USA. Grappig genoeg is het verwant aan Debussy’s “La Cathédrale engloutie” (1910). De vele octaven en kwinten, en de zeer lange klankbogen, die op het Groenlose orgel uistekend tot hun recht komen, roepen de sfeer op van een enorme Gotische kathedraal.

De Prélude et Fugue van Duruflé, is geschreven ter nagedachtenis aan Jehan Alain. Uit de naam ‘ALAIN’ haalt Duruflé de 5 noten waarop het werk is gebaseerd: ‘A.D.A.A.F.’. Daarnaast klinkt ook het thema van de bekende Litanies van Alain door in de prélude van Duruflé. Verder is de Prélude vol impressionistisch penseelwerk, terwijl de Fugue een gestage, bijna klassieke en op Bach lijkende opbouw kent, vol kaleidoscopische harmonieën, uiteindelijk uitmondend in een stralend fortissimo.

Dupré schreef een verzameling van 16 koraalbewerkingen op Gregoriaanse hymnen: Le tombeau de Titelouze (Titelouze heeft deze koralen ook bewerkt.) Te lucis ante terminum is een verstilde avondhymne. De nederlandse tekst luidt: “Aan het einde van de dag vragen wij U, Schepper van alle dingen, of U in uw barmhartigheid onze beschermer en wachter wilt zijn.”

De overbekende, feestelijke Toccata van Widor tenslotte is een typische exponent van de Franse laatromantische toccata: een ononderbroken beweging in de handen (perpetuum mobile) vergezeld van een eenvoudig ritme in de pedaalpartij. Andere prachtige voorbeelden van dit type toccata zijn die van Gigout (b mineur), Boëlmann (Suite Gothique), Vièrne (slotdeel van eerste symphonie), en uiteraard de culminatie van de Franse toccatavorm: Duruflé’s Suite op. 5, die ik ook eens graag in Groenlo hoop uit te voeren.